BINNENDOOR EN ACHTEROM

Een lezing in drie delen

I.

Een aantal jaren geleden bezocht ik het Trocadero in Parijs. In een van de vleugels is een museum gevestigd waarvan de naam mij ontschoten is. Dit museum was zo goed als leeg, dat wil zeggen, er waren bijna geen bezoekers, het zag er allemaal wat onverzorgd uit en de zalen waren immens groot. Zo om de andere zaal zat een in gemeenteblauw gestoken suppoost, vaak onderuit gezakt op een stoel te dutten of een bouquetreeks boekje te lezen. Het museum toonde restanten van versieringen en beeldhouwwerken die in onbruik geraakt zijn van de stad Parijs. Er stonden ook eindeloze hoeveelheden maquettes die ooit gediend hebben om mensen van de vooruitgang te overtuigen en nu dan, afgedankt en bestoft, in dit museum zijn beland. Verveloos, haveloos.

Nauwelijks publiek, een enorme tijdloosheid, wat een rust.

De musea voor hedendaagse kunst worden druk bezocht. Helaas zijn de meeste museumdirecteuren meer geïnteresseerd in het entertainment dan in de kwaliteit van de getoonde kunst. Het grote publiek komt, onwetend, met busladingen tegelijk op tentoonstellingen af. Je kunt geen populair tijdschrift meer inkijken zonder een kunstrubriek tegen te komen. Hoezo is kunst elitair? Kunst lijkt eerder een welkome uitbreiding in het aanbod van de VVV's. Na Ibiza en de Ardèche nu ook de tentoonstelling van Picasso in het Stedelijk Museum van Hindelopen. Korting voor grote groepen.

De kopers van de massale aantallen nieuwe Vinexwoningen hebben als gevolg van de economische bloei de woondecoratie ontdekt. En hoe gaan interieurvormgevers daarmee om? Ontwerpen voor de massa? Voor de media, de huis-tuin-en-keukenprogramma's? Gaan ze voor de kunst van het ontwerpen? Of is het niet meer dan een ordinair verstoppertje spelen ten opzichte van de daadwerkelijke veranderingen waar kunstenaars en vormgevers zich sinds jaar en dag mee bezig houden? Op deze manier is het simpel om de echte ontwikkelingen te negeren.

STOP

De lucht is blauw.

STOP

Op dit moment is er behoefte aan plekken die zich niet opdringen aan de buitenwereld als opgefokte pronkpauwen, maar dienen als schuilplaats. Rust als tegenhanger voor de buitenwereld en specifiek toegankelijk voor de echte geïnteresseerden.

Rust.

In Nederland is een overmatige belangstelling voor design. Ingeschakeld als instrument om spullen beter aan het grote publiek te verkopen, worden allerlei ontwerpers ingeschakeld om een gebouw, een tentoonstelling, een huisstijl of een dingetje vorm te geven. De resultaten liegen er niet om. Wat dacht U bijvoorbeeld van de presentatie van het zwarte vierkant van Malewich in het Stedelijk Museum in Amsterdam? Door een vormgever was bedacht dat het wel leuk zou zijn om dit schilderij op een immens grote ronde muur te hangen met tegenover het schilderij een bord met uitleg dat zeker drie keer zo groot was als het schilderij zelf. De terreur van de vormgeving in onze musea is onomstotelijk aanwezig.

Een ander voorbeeld is het Mauritshuis in Den Haag. Ook het Mauritshuis ontkomt niet aan deze terreur. Als een van de weinige statige 18e eeuwse huizen heeft een vreemde samenloop van omstandigheden er hier voor gezorgd dat ik als bezoeker door de dienstingang naar binnen moet en mij de toch al sporadische in Nederland aanwezige grandeur van een statige entree, wordt ontzegd. Ik kom in een pretentieus met marmer en roestvrijstaal beklede kelder terecht terwijl die prachtige ingang met een lullig touwtje van binnenuit is afgesloten. Welke vormgever heeft dit op zijn geweten? En wat te denken van de combinatie stijlkamers en moderne verlichting? Of de te grote begeleidende titelkaartjes met uitleg op imposante piëdestals?

Ik heb een grote weerzin tegen die vormgeving, design en alles wat ermee samenhangt. Het Mauritshuis is al mooi genoeg van zichzelf. Ook de andere musea ontkomen niet aan dezelfde terreur. In Holland staat alles netjes in de verf, mooi opgepoetst en vooral nergens stof. Nergens stof. Vormgeving strekt zich uit over de hele culturele machine. Mijn advies is: gooi de vormgevers de deur uit, laat de winterschilder een jaartje later komen en vier een feestje.

De droom.

Een museum in een statig herenhuis. Een gesloten deur met luikje. Als je aanbelt wordt er pas na lang aandringen opengedaan. Je komt in een antichambre waar zich slechts één kunstwerk bevindt. Er zijn meer kamers. Elk afgewogen ingericht met slechts enkele zeer precies geplaatste kunstwerken. Door elke kamer van het hele huis apart te gebruiken is het mogelijk om zonder stijlbreuk verschillende aspecten van verschillende periodes in de kunst aan de orde te stellen. Dit alles op basis van de persoonlijke smaak van de organisator. Zonder de verplichting om elke zes weken een andere tentoonstelling te moeten ophoesten, geen aankondigingen in de pers, en vooral geen groepen.

Dit huis zou rust moeten uitstralen.

Het Italiaanse Rivoli in Nederland.

Ruchtbaarheid wordt er niet aan gegeven.

Nooit meer dan één bezoeker tegelijk.

Wat een droom.

 

II.

In Nederland is de zoveelste bouwwoede gaande. 'Vinex' wijken schieten als paddestoelen uit de grond. Elk dorp, elke stad, elke gemeente wordt opgezadeld met een veelheid aan nieuwe woonwijken als gevolg van rekensommen van het Centraal Plan Bureau. Steeds meer tweeverdieners, huizenkopers in plaats van huurders; economische groei en modern consumentengedrag bepalen het beeld van deze wijken.

Het dorpsplein of de historische binnenstad was tot de jaren zeventig nog het werkelijke centrum - maar met al die uitbreidingen gaat het voor de toekomst alleen nog over de 'meerstedenstad'. Elke wijk in elke stad een eigen winkelcentrum, een 'cultureel' gebouw, liefst nieuw te bouwen door een buitenlandse architect van naam, en dit alles naast een Albert Heyn, de Blokker, de Hema, de Etos en Zeeman. En bij de invalswegen allemaal een MacDonalds, of liever nog: een MacDrive naast de Ikea.

De herkenbaarheid zit in de onherkenbaarheid: het maakt niet meer uit waar je bent: we zijn overal thuis, en we gaan allemaal op vakantie naar Centerparcs - in dat landschappelijke gebied aan de andere kant van Nederland, met privé-sauna waar volgens de reclame niemand je naakt kan zien. (Verrekijkers gratis verkrijgbaar bij de receptie).

Al die huizen in die Vinexwijken: plafondhoogte 2 meter vijfenvijftig. Til je arm op en je slaat de TL buis in de open keuken eraf. De modelwoning die je in de nieuwe wijk gaat bekijken is doorgaans ingericht door Jan des Bouvrie. Woonkamer met bankstel van Ikea, 2 stoelen en een televisie, smalle trap omhoog: een kleine ouderslaapkamer met slot op de deur, twee hokjes voor de kinderen, en een badkamertje er tussenin gepropt. Geen kasten, geen zolder, geen kelder. Geen ruimte.

Dit is het klimaat voor interieurvormgevers in de komende jaren. Als ze hun best doen worden ze op de academie al opgepikt door de huis-tuin-en-keuken programmamakers zoals die van de handige klusjesmannen Nico en Rob. En daar mag je dan 3 minuten lang een zogeheten 'item' op de televisie vullen met een fris ontwerp voor een tapijtstoel.

Het basisprobleem voor de vormgever zit in de ruimtelijke beperkingen van de manier waarop wij blijkbaar willen wonen. Geven Nederlanders dan niet om ruimte? Dat daarnaast de problematiek van het thuiswerken een rol kan spelen komt alleen maar goed uit - want dan hebben we iets om ons druk over te maken. Iedereen een computer. Geloof het of niet: de pc-dichtheid in Nederland is de grootste van de wereld. Voor thuiswerkers zou het toch prettig zijn als er een aparte ruimte aan het huis geschakeld kon worden.

Grote verzekeringsmaatschappijen en banken stoppen hun nieuwe hoofdkantoren vol met allerlei nieuwe hi-tech. Zwevende werkplekken, iedere werknemer een eigen laptop, gsm en com camera waarmee je kunt chatten met collega's. Ze nodigen de duurste interieurarchitect uit die er te vinden is. En die mag zich dan volledig uitleven. Tegelijkertijd bouwen dezelfde maatschappijen nieuwe woonwijken voor de thuiswerkers waar het thuiswerken in een aparte ruimte juist wél mogelijk is. Deze maatschappijen bedrijven daarmee een zelfde soort politiek als de 19e eeuwse industriebaronnen. Werknemers worden daardoor, in een tijd waarin mensen eigenlijk overal werk kunnen krijgen, sterk aan het bedrijf gebonden. De adder onder het gras zit in de controle. De kwantiteit en de kwaliteit van het werk worden via de computer gecontroleerd: niet alleen op het werk, maar hier dus ook thuis. Wanneer werk je, hoe lang, wat doe je? Het is allemaal bekend bij de baas.

Ook hier een vette kluif voor een handjevol interieurarchitecten die het thuiswerken mogen begeleiden. Wat valt er nu eigenlijk vorm te geven als de gemiddelde smaak, de gemiddelde tendens en vooral de gemiddelde ruimte daadwerkelijke veranderingen nauwelijks toestaat? Ik benijd jonge interieurvormgevers niet bepaald. Als ik in hun schoenen zou staan, zou ik à la minute Ikea opblazen, Nico wurgen, de Elle-Wonen verscheuren, de burgemeesters omkopen, projectontwikkelaars in de watten leggen, pensioenfondsen opheffen en Blokker boycotten (De Hema mag blijven).

Is het alleen een Hollands probleem? Buiten Nederland kom je deze terreur veel minder tegen. Het is frappant dat dit soort problemen zich, 150 kilometer zuidelijker, nauwelijks voordoen. Ik zou misschien naar België verhuizen en daar een eigen bureau beginnen. Belgen bouwen hun eigen huis, liefst voor de eeuwigheid. De buitenkant of de vorm van het huis is hier veel minder belangrijk dan bij ons. Mooi of intens lelijk, maar iedereen zorgt er hoe dan ook voor om over meer dan voldoende ruimte te beschikken. Het gaat om wat zich binnenshuis afspeelt. En om het comfort. Hier wél gordijnen, en bovendien luiken voor de ramen. Persoonlijke vrijheid, of liever het huis als privé domein, is heilig in België. Net als de open haard. Er worden dus toch nog ergens schoorstenen gebouwd.

Tot zover niets nieuws.

Het is niet anders dan in de jaren vijftig of zestig. Alleen geldt nu het excuus van de wederopbouw niet meer, we zijn intussen rijker dan ooit tevoren. De huizen blijven kleine kippenhokken, saai en allemaal gelijk. Eigenlijk zouden alle architecten en vormgevers een pak slaag verdienen. Juist in deze tijd van welstand zou je van hen mogen verwachten dat ze hun opdrachtgevers ervan weten te overtuigen daadwerkelijke veranderingen door te zetten en een geheel nieuwe eigentijdse architectuur te introduceren. Helaas verschuilen ze zich meer dan ooit achter geweeklaag over de, inderdaad, onzinnige wetten en talloze regels.

Maar er is nog een ander probleem. En dat dringt zelfs door in België. Jarenlang was ik een regelmatige bezoeker van het frietkot langs de snelweg bij Sint Job in 't Goor. Ouderwets, formica tafeltjes, houten banken, niet geheel schoon, aan de wand een verzameling bankbiljetten uit de hele wereld, en natuurlijk Vlaamse friet met stoofvlees. Bepaald niet vormgegeven, maar zeer in trek bij vrachtwagenchauffeurs en vertegenwoordigers op weg naar Antwerpen. Vorige week kwam ik er weer langs en verheugde me op het stoofvlees. Het kot was weg. Er stond een ontworpen gebouwtje. Georganiseerde gezelligheid. Alles geregeld, onpersoonlijke bediening, eerst betalen en een briefje halen, je bestelling werd luidkeels afgeroepen. Het meubilair kwam zo bij Centerparcs vandaan. Weg atmosfeer. De dodelijkheid van de gemiddelde smaak. Er was een ontwerper aan de slag geweest. Wat is de winst? De dodelijkheid van de gemiddelde smaak zoals we die kennen uit de wederopbouw wordt veertig jaar na dato nog even vrolijk doorgezet. In elke stad dezelfde broodjeszaak met Thonetstoelen, wanstaltige placemats en hetzelfde droevige loden vaasje met één decoratieve tak. Het is triest dat dit ook in België begint door te sijpelen.

Het spreekwoord luidt: 'waar je mee omgaat word je door besmet'. Hoe kunnen van jonge Nederlandse vormgevers, opgegroeid in saaie rijtjeshuizen of eerste Vinex wijken, met de onvermijdelijke broodjeszaak met Thonetstoelen, wanstaltige placemats en droevige loden vaasjes met één decoratieve tak, originele gedachten of nieuwe zienswijzen worden verwacht? Natuurlijk is de omgeving waar je vandaan komt niet per definitie bepalend. Maar wel van invloed. Jeugdervaringen neem je onwillekeurig met je mee. De smaak van de gemiddelde ontwerper is aangetast door de omgeving waarin hij of zij is opgegroeid. Al is het maar als een camp gevoel. En zo blijft de slechte smaak nog lang gehandhaafd in ons vrolijke landje.

Tot zover deel twee.

 

III.

Haal opgelucht adem, ban al het overtollige cholesterol uit je gedachten en maak je niet meer druk over Vinex wijken of ontembare Blokkers. Het is mogelijk om als ontwerper, kunstenaar of architect wél iets anders te doen. Het gebruik van ijzerconstructies in combinatie met glas begon rond 1860. Door ingenieurs en technici ontwikkeld waren dit soort constructies doordat ze grote overspanningen mogelijk maakten, bij uitstek geschikt voor bijvoorbeeld stations. Helaas werden ze in eerste instantie nogal verfoeid en bouwde men stationsgebouwen ervoor, om de stationoverkappingen te maskeren, die eruit zagen als luxe hotels of zelfs paleizen. Pas rond 1900 waren er architecten die zeiden 'Haal dat rare hotel of paleis weg en toon de schoonheid van de constructie.'

Nederlanders zijn specialisten in technisch ontwerpen. Vorm volgt functie geldt nog steeds. En inmiddels is de informatietechnologie in volle ontwikkeling. Zouden we nu dan eindelijk verlost worden van die saaie tekentafelarchitectuur? Misschien dat architecten door een ander gebruik van computers eindelijk hun overbekende rasters en grids achter zich laten. Een mooi voorbeeld is Lars Spuybroek. Een architect die juist door gebruik te maken van de mogelijkheden van nieuwe computertechnologie, een andere vormentaal weet te realiseren. Complexe holle of gebogen getordeerde vlakken kunnen nu gemakkelijk uitgevoerd worden. Een trap, bestaande uit een gebogen vlak, loopt uit in een werktafel. Zo ontstaan er bij hem nieuwe interpretaties van ruimte, maat en schaal. Voor interieurarchitecten of vormgevers is er een wereld opengegaan. Tenminste, voor wie dat wil zien. Werp minicad en autocad van het voetstuk waar ze nog steeds op lijken te staan en ga verder met veel interessantere programma's. 3D studio Max of Maya bieden allerlei nieuwe mogelijkheden. En stoot die op hun beurt van hún voetstuk als er weer betere programma's op de markt komen. Nu al kunnen ontwerpen virtueel worden beleefd en daardoor kritischer getoetst. In Amsterdam is er een bedrijf dat dit nu al doet. In the Cave kun je een ontwerp dat je met 3D studio Max hebt ontworpen, niet alleen virtueel, maar ook op schaal 1:1 ervaren.

In Eindhoven is een kleine afdeling van Philips gevestigd waar een stuk of dertig whizzkids en andere slimmeriken niets anders doen dan bedenken hoe de wereld er, met alle mogelijke technische vernieuwingen, over dertig jaar uit zal zien. Logischerwijs laten ze daar niet veel over los, maar het verdwijnen van de mobiele telefoon bijvoorbeeld, is wel zeker. Bellen doe je straks via een chip die in de kraag van je kleding is geweven. Computers zoals we die nu kennen zullen verdwenen zijn. Waarschijnlijk worden ze minuscuul en vast ook virtueel. Als je over dertig jaar kijkt naar mensen in de tram die een beetje voor zich uit lijken te staren, en je ziet hun handen een beetje bewegen in de lucht, weet dan dat zij in hun onzichtbare tekstverwerker verdiept zijn.

Eindelijk rust.

back

home